Gedragstherapie‎ > ‎

informatie gedragstherapie


Pavlov


Aan het begin van de vorige eeuw was Ivan Petrovic Pavlov hoogleraar in Sint Petersburg. Hij deed daar de eerste onderzoeken naar conditionering.  

Bondige uitleg over conditioneren.

klassiek conditioneren

Experiment van Pavlov. Biedt een hond in een rustige omgeving een geluidstoon (stimulus 1 genoemd of s1) aan waarop hij zich richt. Het aandacht richten wordt oriënteergedrag of oriënteerreflex (r1) genoemd. Na een seconden krijgt de hond vleespoeder op de tong (stimulus 2 of s2). Hierdoor gaat de hond speeksel produceren, (r2). Pavlov stelt dat er dus twee reflexen actief zijn, de oriëntatiereflex en de speekselreflex.
Na enkele keren herhalen ontstaat er al een nieuwe reactie, de reflexen verbinden zich, namelijk de speekselvloed treedt op als de hond alleen de toon hoort. Omdat s1 en s2 vrijwel gelijk worden aangeboden (contiguiteitsprincipe) , wordt er een nieuwe reflex aangeleerd. Deze kan de geconditioneerde reactie (cr) worden genoemd. Als de toon de speekselreflex oproept, wordt de toon, heeft de toon een uitlokkende kracht gekregen voor een extra fenomeen. De toon krijgt daarmee een andere status en wel die van geconditioneerde stimulus (cs). Deze reflex berust op een associatie (cs-ucs) die is gelegd waardoor met de toon (s1) de speekselreflex (r2) optreedt. 

conditionering

De associatie is gelegd door bekrachtiging. De toon moedigt de speekselreflex aan (bekrachtiging) om op te treden, want er komt lekker eten. Kortom er wordt al een basale verwachting geleerd. De toon bij Pavlov betekent ''lekker eten op komst''. ''Lekker eten op komst'' is de verwachting. Als het eten een poos niet wordt aangeboden, wordt de speekselreflex steeds minder. De verwachting wordt minder. Dit proces heet uitdoven of extinctie. Pavlov zegt de associatie wordt niet wordt vergeten, maar de cr (speekselreactie) wordt onderdrukt. Pavlov beschrijft dus twee hoofdprocessen.
Excitatie (versterking) en inhibitie (remming). Door excitatorische conditionering wordt de verbinding tussen twee sensorische centra gefaciliteerd. Door inhibitie wordt de verbinding geremd. Pavlov onderbouwd dit door aan te tonen dat je de associatie met erg weinig moeite weer actief kunt maken, veel sneller dan de eerste keer toen je de associatie aanleerde. Ook treedt er spontaan herstel van de associatie op. 

Omdat bovenstaande in de klinische praktijk ook kan optreden is het ook realistisch dat cliënten geleerd worden dat terugval in therapie best eens voorkomt en terugvalpreventie een logisch onderdeel van behandeling is.

Termen

s = stimulus
r = respons, reactie, reflex
cs= is de stimulus (bv toon), die een aangeleerde reactie (speekselvloed) kan uitlokken.
cr= geconditioneerde reactie (kwijlen als je alleen een geluidstoon hoort, zie pavlov experiment). Bij cr heeft er dus een leerproces plaatsgevonden, dat niet aangeboren is. Volgens welke wetten zo'n leerproces voltrekt is interessant. Het samenvallen van 
ucs= een ongeconditioneerde stimulus. Een stimulus lokt bij alle individuen dezelfde reactie uit. Deze reactie wordt weergegeven met 
ucr= ongeconditioneerde reflex is een wel een aangeboren reflex. Bijvoorbeeld pijn (ucr) als je valt (ucs).
extinctie= uitdoven. De associatie tussen s1 en r2 wordt zwakker (wordt ''vergeten'' of inactief of onderdrukt). Bij de cs wordt geen ucs meer aangeboden. Uitdoving is het tegenovergestelde van bekrachtiging en heeft betrekking op het opheffen van contiguiteit.
bekrachtiging = het sterker maken van een associatieketen, waardoor s1 en r2 sterker gekoppeld raken. Bekrachtiging treedt op als het contiguiteitsprincipe vaker herhaald wordt.
contiguiteitsprincipe = het vrijwel gelijk en in een zelfde soort omgeving aanbieden toon en vleespoeder (van s1 en s2), waardoor er bij het optreden van de toon (s1) het optreden van speeksel (r2) kan worden verwacht.


Menselijke reacties en conditionering

Zeer veel menselijke reacties zijn op bovenstaande wijze tot stand gekomen.

Voorbeeld is de toeschietreflex bij moeder om melk te geven.
UCS = zuigen van de baby aan de tepel
UCR = toeschieten van melk vanuit de borst
CS = hongerig huilen van de baby voordat er gevoed wordt
CR = Als de baby huilt gaat de moeder melk produceren / toeschietreflex.

Comments