Leeftijd






Informatie over leeftijdspecifieke kenmerken bij angst voor naaldbehandelingen.


Babyperiode (0-12 maanden)


Direct in de eerste dagen wordt de baby al geconfronteerd met een pijnprikkel van buitenaf: de hielprik. 

Verder krijgt een kind in een normaal vaccinatieprogramma acht inentingen in het eerste jaar. Twee per bezoek aan het consultatiebureau.

  • Een baby weet niet dat de naald scherp is en pijn kan veroorzaken. 
  • De reactie op de prik is veelal huilen. Dit gebeurt als reflex.
  • Troosten door een vertrouwde persoon is de eerste en beste reactie, veelal gevolgd door afleiding. Veel anders kun je niet doen. 
  • Veel ouders voelen zich verplicht dit met hun kind te moeten ‘doorstaan’. De baby voelt mogelijk naast de pijnprikkel ook spanning van de personen om hem heen. Daar valt wel wat aan te doen: laat een persoon die zelf het minst angst heeft het kind begeleiden.


Dreumes en peuterperiode

Verder komen peuters in de fase dat ze een eigen wil ontwikkelen. “Ik ben twee en ik zeg NEE!!’’ Gevolgd door: “Ik ben drie en ik doe het lekker niet.“ Daarnaast is de peuter aanhankelijk en eenkennig. 

Deze kenmerken hebben invloed op alle dagelijkse gebeurtenissen en zullen zeker ook optreden wanneer de peuter in een medische setting komt. De eerste angst zal al opkomen door de nieuwe, voor de peuter,

vreemde personen die iets van hem willen en aan hem zitten. Daar komt nog bij dat de meeste peuters niet eenvoudig te prikken zijn door hun mollige ledematen.

Verder komen peuters in de fase dat ze een eigen wil ontwikkelen. “Ik ben twee en ik zeg NEE!!’’ Gevolgd door: “Ik ben drie en ik doe het lekker niet.“ Daarnaast is de peuter aanhankelijk en eenkennig. Deze kenmerken hebben invloed op alle dagelijkse gebeurtenissen en zullen zeker ook optreden wanneer de peuter in een medische setting komt. De eerste angst zal al opkomen door de nieuwe, voor de peuter,

vreemde personen die iets van hem willen en aan hem zitten. Daar komt nog bij dat de meeste peuters niet eenvoudig te prikken zijn door hun mollige ledematen.

De dreumes krijgt bij veertien maanden twee inentingen tegelijk. Het verband tussen de handeling met de naald, de pijn en de spanning van de ouder kan op deze leeftijd wel gelegd worden. 


  • Probeer als volwassene niet te veel nadruk te leggen op de pijnervaringen. Als je bij het prikken de pijn te veel beaamt met ”au, ach en wee” dan ervaart de dreumes / peuter extra negatieve informatie.
  • Overleg met de prikkende zorgverlener uw bijdrage tijdens het prikconsult.
  • Vraag hoe je je kind kunt vasthouden om uw kind in een comfortabele positie te houden.
  • Ouder kan de rol van vertrouwde trooster vervullen. Eventueel klinisch vasthouden (vastklemmen als kind tegenspartelt) kunt u vaak het best aan zorgverleners overlaten.
  • Beperk het aantal verzorgers. Vaak heeft 1 ouder de voorkeur.
  • Voorkom honger.
  • Praat tegen het kind ven leid af.

pijnmanagement, klik hier.

 


kleuterleeftijd

Stressoren in medische omstandigheden


De kleuter kenmerkt zich ook door een hele rijke fantasie, waardoor de grens tussen de realiteit en de fantasiewereld niet altijd even duidelijk is. Kleuters zijn vaak bang van hun eigen fantasieën. 

Als de kleuter in een medische setting komt zal hij enerzijds geïnteresseerd zijn in wat er allemaal gebeurt. Anderzijds kan hij ook angstig zijn omdat hij door zijn fantasie een fout beeld heeft van die nieuwe werkelijkheid.


Kinderen begrijpen vaak niet de noodzaak en de bedoeling of context waarin geïnjecteerd wordt. Zeker als kinderen jonger zijn dan 6 jaar is het besef dat een injectie nodig is voor een hoger doel moeilijk duidelijk te maken als de angst toeneemt. Jonge kinderen zijn eerder geneigd de injectie als een soort straf te zien.


  •  Afwezigheid van ouders.
  •  Angstverhoging door pijn, vreemden en medische apparatuur.
  •  Ervaart een verlies van bescherming en gevoel van verlatenheid/eenzaamheid.
  •  Misverstanden door onvermogen alles te begrijpen.
  •  Onvermogen om werkelijkheid en fantasie te scheiden.
  •  Verlies van eigen initiatief, mogelijkheden en verworven vaardigheden.

Gedrag

  • Regressie: terugval naar eerdere ontwikkelingsfase, gaat bv weer babyachtig praten.
  • Woede-uitbarstingen.
  • Boosheid en agressie.
  • Voelt zich schuldig.
  • Gaat fantaseren.

Interventies

  • Moedig ouders aan tot aanwezigheid en actieve bijdrage in verzorging.
  • Geef keuzes waar mogelijk.
  • Benadruk dat ziekte, behandeling en opname geen straffen zijn.
  • Geef ruimte om gevoelens te uiten via spel en verwoording.
  • Moedig het kind aan tot deelname in verzorging waar mogelijk.
  • Laat medische materialen zien. Moedig het kind aan ze vast te houden en uit te proberen.
  • Benoem bij de uitleg alles wat het kind ervaart met de zintuigen: voelen, ruiken, proeven, horen, en zien.
  • Wees realistisch en eerlijk.
  • Vermijd woorden die de fantasie prikkelen zoal: snijden, beestjes en slangen.
  • Corrigeer misverstanden direct.


Schoolperiode

Het woord schoolperiode zegt het al: alles staat in het kader van leren. De zelfstandigheid en het verantwoordelijkheidsgevoel groeien.

Toch heeft het schoolkind nog sterk de behoefte aan veiligheid en geborgenheid van de ouders. Daarnaast wordt ook de groep en ‘ergens bij horen’ belangrijk. Identificatie met andere kinderen speelt een steeds grotere rol. Zij kijken dus kritischer naar volwassenen en daarmee ook naar de zorgverlener. Voorbeeld: De tienjarige Stefan komt in een onbekend ziekenhuis voor een CT-scan. Er moet een infuus geprikt worden voor de toediening van contrastvloeistof.

Hij weigert resoluut. Hij is sterk en niet echt om te praten door de verpleegkundige. Zij vraagt de pedagogisch medewerker om ondersteuning. Deze spreekt met Stefan en zijn moeder door wat er in het verleden voorgevallen is. Stefan zegt dat alle dokters liegen. Voorheen is hem ooit beloofd dat het prikken in vijf tellen klaar zou zijn. Hij geloofde dat toen nog en was gaan tellen... het prikken duurde echter dertien tellen! Het vertrouwen in medici was in acht tellen totaal verdwenen.

Bij kinderen in de lagereschoolleeftijd speelt de acceptatie van een eventuele ziekte een steeds grotere rol. Ze beseffen in zo’n geval dat hun lichamelijk iets mankeert en zij daardoor anders zijn dan hun leeftijdgenoten. Dat willen ze niet. Ze willen gewoon zijn. Alle medische handelingen die bij hun ziekte een rol spelen, waaronder vaak ook prikken, geven reden tot discussie, strijd of vermijding.


Stressoren in medische omstandigheden

- Verlies van controle over het eigen lichaam.

- Geforceerde afhankelijkheid.

- Verlies van vaardigheden.

- Angst voor verminking en verandering/beschadiging van het lichaam.

- Angst voor verlies van lichaamsfuncties en/of lichaamsdelen.

- Angst voor pijn.

- Angst voor de dood.

- Angst voor anesthesie.

 

Gedrag

 

- Voelt zich schuldig.

- Inzicht in realiteit groeit. Fantasie kan nog wel een rol spelen bij de inschatting/beleving van medische situaties.

- Afreageren van woede en angst op omgeving/verzorgers.

- Regressie: terugval naar eerdere ontwikkelingsfase, wordt bijvoorbeeld weer eenkennig.

- Depressiviteit.- Zich terug trekken.

- Overberedeneren, waardoor geen ruimte is voor emotie.


Interventies


  • Model-leren, lotgenotencontact. Laat een kind dat opziet tegen het prikken eens kijken bij een ander kind dat er geen moeite mee heeft. Dit kan bijvoorbeeld als kinderen elkaar kennen van een ziekenhuisafdeling. Of als er lotgenotencontact is.

 

  • Zelfstandigheid. Laat kinderen kleine handelingen die ze zelf kunnen, zoals een pleister met verdovende zalf verwijderen, zelf doen. Je doet daarmee een beroep op hun zelfstandigheid.

 

  • Vraag bij weerstand door bij zowel kind als volwassene. Dit kan waardevolle informatie opleveren en voorkomen dat men de injectie er letterlijk en figuurlijk doordrukt.

 

  • Benoem dat het kind niet de enige is die bang is. Dit neemt vaak een gevoel van schaamte en eenzaamheid weg. Zeg dat je samen gaat zoeken naar een manier die voor het kind prettig is.

 

  • Een spreekbeurt geven in de klas over de eigen ziekte of het ziekenhuis zorgt voor meer begrip bij klasgenoten. Ook voor het kind zelf is het goed om dit te doen. Het bevordert de acceptatie en verwerking. Vindt het kind het moeilijk om dit alleen te doen? Vraag dan hulp aan de leerkracht.

 

  • Daarnaast zijn schoolkinderen weinig op de toekomst gericht. Verklaringen van volwassenen dat de medische handeling nodig is voor effecten op de lange termijn hebben vaak geen effect. Terwijl het vaak zo is dat ouders of medisch personeel hier juist sterk op hameren.

 

  • Zoek bij de uitleg over de noodzaak van medische interventies naar verklaringen in het hier en nu. Bijvoorbeeld als prikken met groeihormoon nodig is om te groeien, kun je beter focussen op een vergelijking met leeftijdgenootjes dan te zeggen dat het kind later misschien wel groter wordt dan zijn vader.

 

  • Bied keuzes waar mogelijk.

 

  • Leer het kind een coping-strategie, zodat het controle over de situatie krijgt.

 

  • Leer het kind inzicht krijgen in gedrag dat effectief is.

 

  • Moedig het kind waar mogelijk aan tot deelname aan de verzorging.

 

  • Geef het kind helpende taken.

 

  • Geef specifieke informatie over hoe het lichaam(sdeel) werkt.

 

  • Laat medische materialen zien. Moedig het kind aan ze vast te houden en uit te proberen.

 

  • Benoem bij de uitleg alles wat het kind ervaart met de zintuigen: voelen, ruiken, proeven, horen en zien.

 

  • Constateer, benoem en corrigeer misverstanden.

 

  • Respecteer de eigenheid van het kind.

 

  • Bied leeftijdsgerelateerde activiteiten aan die het gevoel geven van ‘wel iets kunnen’.

 


Kind kan zelf vanaf ongeveer 6 jaar:

 

    - Vingerprik geven bij diabetes.

 

    - Bloedsuikermeter aflezen.

 


Vanaf ongeveer 8 jaar:

    - Zelf injecteren onder toezicht en met ondersteuning van ouders.       

 

  

Puberteit / adolescentie

 

In de leeftijdsfase van 12-18 jaar willen kinderen meer en meer zelfstandigheid.

Wettelijk zijn er ook zaken vastgelegd voor deze leeftijdsgroep in de WGBO (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst); zie www.jadokterneedokter.nl. Een ziekteproces en de daarbij horende medische handelingen doorkruisen niet zelden het emotionele proces van onafhankelijk worden.

 Uitspraak van een ouder: “Was zij zich net aan het losmaken, werd ze bij wijze van spreken weer terug in mijn schoot geworpen. Ik moest haar weer met van alles helpen.”

 Angst voor medische handelingen zal bij pubers vaak berusten op ervaringen uit het verleden. Ook kan het niet accepteren van de ziekte van de puber leiden tot weerstand, zowel bij ouders als de puber. De puber richt zich steeds meer op de toekomst. Hierdoor kan ook angst voor de gevolgen van de ziekte een grote rol spelen bij de beleving van angst en pijn. Bij pubers is de flauwvalgevoeligheid groot. Dit kan ook optreden bij behandelingen waarbij zij zichzelf dagelijks gaan injecteren.

 

Stressfactoren bij chronische behandelingen

 

Angst voor afwijzing of non-acceptatie door leeftijdgenoten.

 

Angst voor afname lichamelijke mogelijkheden op lange termijn.

 

Onzekerheid over de toekomst.

 

Angst voor de dood.

 

 

Adolescenten en therapietrouw

Trouw aan een medische behandeling of wenselijk gezondheidsgedrag is vaak een moeilijk te bereiken doel bij pubers. Als het gaat om diëten, alcoholgebruik, leefstijlaanpassingen of medicatiegebruik, is wenselijk gezondheidsgedag vaak ondermaats. Ook pubers die langdurig naaldbehandelingen moeten doen, zijn een risicofactor qua drop out en therapietrouw. Een grote rol van monitoring door de omgeving kan helpend zijn, maar botst met de wens voor meer autonomie. Om de autonomie van de puber te respecteren is het goed om hem zelf medische handelingen te laten doen. Een puber kan bijvoorbeeld prima leren om zichzelf te injecteren.

 

Interventies

 

Behandel een puber als een volwaardige gesprekspartner. Luister echt naar hem en neem hem serieus. Een kinderachtige manier van doen zal snel weerstand en irritatie oproepen.

 

Voor medewerking aan de medische handelingen is het van belang dat de puber de zorgverlener vertrouwt. Wees eerlijk en betrouwbaar en betrek de puber bij beslissingen.

 

Privacy is heilig voor de puber. Schendt deze niet.

 

Als er medische handelingen noodzakelijk zijn, bekijk dan samen met de puber hoe en op welk moment deze in zijn dagritme passen.

 

Het is goed dat zij het zelfinjecteren altijd zittend of liggend doen. Het is belangrijk om een stoel te nemen waarin ze ruim naar achteren kunnen zitten, bijvoorbeeld een fauteuil. Zodat in geval van flauwvallen ze niet verkeerd neerkomen.


- Zorg voor contact met leeftijdgenoten.

 

- Benoem mogelijke psychische en fysieke veranderingen.

 

- Richt je op lange termijn verwachtingen in de nazorg.

 

- Bied de gelegenheid voor discussie over de behandeling en bied begeleiding waar gewenst.

 


Therapietrouw bevorderen


- Duidelijke instructie door een deskundige.

 

- Zo mogelijk gelijktijdige instructie met lotgenoten.

 

- Voorkomen van flauwvallen (pubers hebben een grote flauwvalgevoeligheid) door           

    vooraf ademhalingsoefeningen en spier(ont)spanningsoefeningen aanleren;

    zittend of half liggend injecteren zodat het lichaam ondersteund is.

 

- Stimuleren en motiveren door ouders en/of vrienden.

 

- Regelmatig vragen over hoe het gaat, zowel praktisch als emotioneel.

pijnmanagement, klik hier.

pijnmanagement


Algemeen

Kinderen weten vaak zelf het beste wat hen helpt in deze stressvolle en beangstigende situaties.

 

Omgangsstrategieën verschillen:
WKZ/UMCUtrecht heeft het pijnpaspoort ontwikkeld. Hierin kunnen omgangsstrategieën worden vastgelegd hoe men benaderd wil worden. let wel: het gaat bij het pijnpaspoort dus niet per se om pijnpreventie, maar management hoe de interventie het best kan plaatsvinden in het samenwerkingsverband tussen medicus en patiënt. 

Men wil de gebeurtenis bewust blijven volgen 'controlerend monitoren' en ‘blunting’ (men sluit zich af en richt zich mentaal op iets).

Laat het kind zoveel mogelijk meehelpen bij de medische procedure. Hierdoor ziet het kind de naaldhandeling niet als een straf maar als een belangrijke handeling die zijn bijstand vraagt.



Het Pijnpaspoort is een klein boekje waarin een kind opschrijft wat hem helpt als hij pijn heeft of bang is. Het kind kan onder andere de volgende items invullen: ‘wil ik graag zelf’ - ‘wil ik liever niet’ - ‘wil ik zitten/liggen’. Ze laten het aan de mensen in het ziekenhuis zien als ze dat nodig vinden, bijvoorbeeld voordat ze een prik krijgen.

Omdat bij kinderen pijn en angst vaak moeilijk te onderscheiden zijn, brengt men het onder één noemer: distress. Een gevoel van controleverlies bij het kind verhoogt de distress. Met het Pijnpaspoort krijgen kinderen een middel in handen waarmee ze voor een deel controle kunnen uitoefenen op de stressvolle gebeurtenis.